NAK-telersvergadering
Tijdens de NAK-telersvergadering hebben we een duidelijk overzicht gekregen van de virussituatie en de verlagingen op Y- en bladrol virus. Daarna zijn er een aantal stellingen bediscussieerd met als doel de NAK, adviesraad en vaste commissie te helpen bij de evaluatie van het afgelopen seizoen. Wat opvalt bij de vraagstelling vanuit de zaal is dat de telers in het algemeen de wijzende vinger uitsteken naar alle betrokken behalve zichzelf. De volgende feiten komen bij mij op.
Stammenbedrijven zijn geen stammenbedrijven meer. De traditionele stamselectie is voor een groot gedeelte ingeruild voor grote hoeveelheden miniknollen.
Gevolgen miniknollen
Door de toename van het aantal miniknollen vermeerdert een groot aantal bedrijven het eigen uitgangsmateriaal. De snelle vermeerdering van het basismateriaal zorgt ervoor dat het aantal vermeerderingsjaren is verminderd. Er wordt nog maar weinig gecertificeerd pootgoed (klasse A) voor de keuring aangegeven. Wel is het aantal bedrijven met pootgoed voor eigengebruik (ATR) toegenomen.
Door de kortere cyclus is het bacterieprobleem kleiner geworden. Uit het ketenproject hebben we namelijk kunnen leren dat iedere handeling met aardappelen ten koste kan gaan van de kwaliteit. Dit is goed opgepakt door de sector.
Keuring verplaats zich naar het laboratorium
Het systeem met rooidata is afgeschaft. Percelen mogen hierdoor langer doorgroeien en worden allemaal nagecontroleerd op het laboratorium van de NAK met de PCR-toets op de aanwezigheid van virus Y en bladrol. Je zou kunnen concluderen dat bij de keuring van pootgoed de nadruk is komen te liggen op de nacontrole. Dit geldt zeker wanneer je de vergelijking maakt tussen de oude situatie op de stammenbedrijven en de vermeerdering van PB-materiaal in de huidige situatie.
Een laboratoriumtoets is duur maar geeft in principe een betrouwbare uitslag. In acht moet worden genomen dat er 50 knollen worden samengevoegd tot 1 reactie waardoor de spreiding in de uitslag groot is en je niet met zekerheid kunt zeggen wat het percentage ziek in de partij is. Maar dit staat los van de betrouwbaarheid van de toets.
Veel ongekeurd pootgoed
Het jonge basismateriaal (PB1, PB2, PB3) wordt voor een groot gedeelte niet meer gekeurd. Verder wordt een gedeelte van dit materiaal onder “doek” geteeld waardoor er geen controle meer plaats vindt op het type van het ras. In een aantal gevallen wordt een monster uit de miniknollen genomen om dit toch te kunnen controleren. Er is in 2025 rond de 1250 ha eigengebruik van het jonge basismateriaal uitgepoot. Uiteraard kan een teler ervoor kiezen om dit op vrijwillige basis te laten nacontroleren op virus. Maar in een negatief scenario gaat er naar verwachting de opbrengst van 1250 ha ongekeurd pootgoed in 2026 de grond in. Van dit materiaal mag je alle maatsorteringen meerekenen voor de nateelt, waardoor de vermeerderingsfactor gemiddeld misschien wel boven de 10 knollen per plant ligt. In dit rekenmodel leidt 1250 ha eigengebruik in 2026 tot 12500 ha uitgepoot pootgoed, voor een groot gedeelte, ongekeurde poters.
Cultuur- en gebruikswaarde onderzoek
Bij de introductie van nieuwe rassen wordt er in het cultuur- en gebruikswaarde onderzoek (CGO) nog wel een cijfer vastgesteld voor Yntn. Maar alle virussen worden in dit onderzoek niet meegenomen. In de praktijk zien we dat een aantal van de rassen die worden toegelaten in het handelsverkeer een zeer matig virusniveau hebben en na een aantal jaren weer verdwijnen. Los van de investeringen die worden gedaan zijn deze percelen ziektebronnen op de pootgoed percelen. Ook wordt er nog weinig aandacht geschonken bij de selectie van nieuwe rassen aan het verschil tussen tolerantie en gevoeligheid. Tolerante of ongevoelige rassen kunnen ziek zijn maar geven weinig of geen virus-symptomen.
Overige veranderingen en conclusies
Daarnaast kun je nog benoemen dat de winters zachter worden en een groter percentage van de percelen in de winter groen blijven. Wanneer je hoofd en bijzaken gaat onderscheiden, zijn er 2 belangrijke redenen dat het viruspercentage in ons jonge pootgoedmateriaal toeneemt.
- Een substantieel gedeelte van het pootgoed wordt in de 1e jaren (PB1, PB2 en PB3) niet gekeurd waardoor de ziektedruk in de pootgoedpercelen toeneemt.
- Er worden te veel rassen toegelaten die te vatbaar zijn maar ook te weinig virus-symptomen laten zien.



Eén reactie
Mooie uiteenzetting. Ik denk dat je eerst genoemde argument voor oude bestaande rassen niet direct het grootste probleem is. Voor de nieuwere onbekende rassen zeker wel.
je 2de argument is dat van de nieuwe rassen totaal geen ervaringscurve is opgebouwd, omdat we ook niet met stamselectie werken, om de sterkere types te selecteren.
een 3de argument is dat wij als pootgoed sector denken dat wij in veredeling, teelt techniek en in controle grote stappen maken, maar dat we vergeten dat moeder natuur ook grote stappen maakt, die juist de andere kant opgaat die wij voor ogen hebben (ontwikkeling van ziekteverwekkers e.d.)
Hoe langer ik er over nadenk, hoe meer ik het gevoel krijg dat uitgangsmateriaal (resultaat van selectie en aandacht) meer en meer een productiemiddel is geworden, wat slecht kostprijs gedreven geproduceerd wordt, in plaats van kwaliteitsgedreven. Telers zijn ook niet meer trots op hun telernummer.