Miniknollen en stamselectie

Voldoet de opbouw van het basispootgoed met behulp van miniknollen wel aan het oude begrip stamselectie? Is er gebruik gemaakt van een geselecteerde stam waarbij aandacht is geschonken aan het type van het geregistreerde ras?

Miniknollen en stamselectie

Voldoet de opbouw van het basispootgoed met behulp van miniknollen wel aan het oude begrip stamselectie? Is er gebruik gemaakt van een geselecteerde stam waarbij aandacht is geschonken aan het type van het geregistreerde ras?

Veel pootgoedtelers hebben tegenwoordig een gesloten bedrijf en schaffen miniknollen aan om hun pootgoedareaal op te bouwen. Op een bedrijf met 50 ha pootgoed, met maximaal 3 jaar nateelt, moet je toch al gauw zo’n 25.000 miniknollen aanschaffen. Dit geeft al direct een behoorlijke oppervlakte die misschien in het 1e jaar nog in 2 fasen wordt gerooid maar daarna is het toch zeker een bulkteelt.

Waarom stamselectie

Hiervoor af komt de vraag bij mij op, of de uitgangsknollen voor het in vitromateriaal afkomstig zijn van een vooraf geselecteerde stam. Stamselectie dient er onder andere voor om het door de kweker geselecteerde type van het gekweekte ras in stand te houden. We mogen er vanuit gaan dat de voor in vitro vermeerdering gebruikte knollen vrij zijn van aardappel pathogenen zoals virussen en bacteriën omdat deze is samenwerking met de vitro-vermeerderaars door de NAK worden getoetst.

Als de miniknollen bij de teler op het veld staan wordt het bladonderzoek op virus tegenwoordig achterwege gelaten. In het verleden werd er van alle stammen ieder jaar blad geplukt. Als we kijken naar de 10 grootste rassen in Nederland dan zijn deze in de loop van de tijd wel vervangen door iets sterkere rassen maar in het totale rassenpakket komen nog steeds virus-vatbare rassen voor.

Pootgoed aangifte 1974 en 2020  (in Ha)
Ras 1974 Ras 2020
Bintje 6900 Fontane 4957
Sirtema 1560 Spunta 4273
Jaerla 1005 Agria 2673
Alpha 1036 Innovator 2321
Desiree 839 Arizona 1354
Eersteling 787 Fabula 1118
Ostara 567 Markies 754
Primura 292 Colomba 733
Prevalent 327 Challanger 730
Sientje 295 Manitou 586

 

Het gemiddelde resistentiecijfer van de genoemde rassen was in 1974 een 6,1 en in 2020 een 7,2. Echter deze vergelijking is eigenlijk niet te maken. In 1974 hadden we te maken met het Y-virus, daarna gaf het Yn-virus veel problemen en door mutaties zijn er in 2020 weer andere virussen zoals het Yntn-virus welke het pootgoed aantasten. Daarnaast zijn ook de teeltomstandigheden veranderd.

Einddatum

Via het keuringssysteem hebben we verder geaccepteerd dat er geen einddatum meer is. Telers zijn vrij om het pootgoed en zelfs de hoge klasse tot in augustus te laten groeien. Bij het telen van een hoge klasse gaat het om het vermeerderen van gezond pootgoed en veel knollen in de pootgoedmaat die vervolgens zonder veel risico gebruikt kunnen worden als uitgangsmateriaal voor de pootgoedteelt. Voor het beperken van virusoverdracht is dit tot op de dag van vandaag de juiste strategie. Relatief fysiologisch oude poters gebruiken, schraal bemesten en vroeg rooien.

De grootschalige miniknollen teelt, en dus meer gesloten bedrijven, zijn met name ontstaan door de problemen met bacterieziek. Minder vaak natelen lijkt hier goed te werken. We zien de laatste jaren het percentage bacterieziek iets afnemen.

Voor de toekomst is het wellicht verstandig om alle factoren te betrekken  bij het telen van betrouwbaar hoogwaardig pootgoed. Hiervoor zijn verschillende scenario’s te bedenken waardoor het Nederlandse pootgoed zich blijft onderscheiden van de concurrerende landen.

4 reacties

  1. Mooie site Jacob.
    Ben het helemaal eens met het bevorderen van een vroeg en oud gewas. Dit geeft ook de mogelijkheid om vroeg met de selectie te beginnen. Bij het gebruik van minerale oliën is ook vroeg beginnen van belang; dan staan immers de virusbronnen nog in het veld. De meeste besmetting met virus komt immers vaak uit het eigen perceel.

  2. Jacob, het begrip ‘stamselectie’ is in principe alleen van toepassing op de traditionele stammenteel, waarbij je uitgaat van 1 uitgangsstam (plant), met als uitzondering de uitgangsplant van een knol die is geselecteerd uit de oogst van een 1-jarige stam (PB1).
    In je blog suggereer je dat uitgangsmateriaal voor vitro-vermeerdering ook van een enkele uitgangsplant moet komen, maar dat is niet zo. Een teler mag uit elk perceel ‘in keuring’ uitgangsknollen selecteren voor vitro-vermeerdering. Een kweker mag knollen uit al z’n materiaal (kwekers-)halen.
    Er is dus geen sprake van ‘normvervaging’ (tenzij een teler knollen uit een consumptieperceel of bij de groenteboer weghaalt).
    De uiteindelijke type-beoordeling vindt dan plaats op het centraal stammenveld, samen met de traditionele stammen (maar dat zijn er steeds minder).
    Selectie van uitgangsmateriaal voor vitro-vermeerdering moet je dan ook los zien van de traditionele stamselectie.

  3. Hoi Jacob, mooi artikel wat het belang van stamselectie en een deugelijke toetsing van stammen onderschrijft!

  4. Ik weet haast wel zeker, dat er niet eerst een plant van het goede type wordt geselecteerd voor inzending voor in vitro productie miniknollen.
    De meeste telers nemen een paar knollen uit de grote kist en leveren die in….
    Dat heeft dus naar mijn mening niets meer met “ stamselectie” te maken.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.